Wet op de ondernemingsraden (WOR)
11 augustus 2026Inleiding
De Wet de ondernemingsraden (WOR) is in z’n eerste versie verschenen in 1950, en regelt de medezeggenschap van werknemers in ondernemingen.
Op grond van de WOR moet de onderneming een ondernemingsraad (OR) instellen als er tenminste 50 personen werkzaam zijn.
Het doel van deze wet
De wet wil een OR “in het belang van het goed functioneren van die onderneming in al haar doelstellingen” en “ten behoeve van het overleg met en de vertegenwoordiging van de in de onderneming werkzame personen”. De wet stelt regels over hoe de ondernemingsraad samengesteld moet worden en hoe overleg plaatsvindt tussen ondernemer (de bestuurders) en de ondernemingsraad. De wet beschrijft de taken en bevoegdheden van de ondernemingsraad, waarvan de belangrijkste zijn het adviesrecht en het instemmingsrecht.
Inhoud en toepassing van de wet
De ondernemingsraad heeft bij bepaalde typen van beleid, voornamelijk wanneer deze direct de werknemers en hun rechten betreffen, het recht een rol te spelen in de besluitvorming. Dit recht komt met name tot uitdrukking in resp. het overleg-, het instemmings-, het advies- en het initiatiefrecht.
Overlegrecht
De OR heeft het recht overleg te voeren met de werkgever over ‘aangelegenheden betreffende de onderneming’. De werkgever is verplicht om hieraan mee te werken. Minstens twee keer per jaar dient een overlegvergadering plaats te vinden waarin de OR en de werkgever de algemene gang van zaken van de onderneming bespreken. De werkgever deelt mee welke belangrijke besluiten hij voorbereidt over financiën of de organisatie en spreekt met de OR af wanneer en hoe de OR in de besluitvorming wordt betrokken.
Instemmingsrecht
Voor besluiten die direct betrekking hebben op een aantal personele regelingen (zoals een werktijdenregeling of een regeling met betrekking tot arbeidsomstandigheden) moet de ondernemer instemming hebben van de OR voordat het besluit ten uitvoer kan worden gebracht. Als de OR niet instemt met het voorstel en de ondernemer toch zijn besluit wil uitvoeren, dient hij een gerechtelijke procedure aan te spannen.
Adviesrecht
Voor besluiten die belangrijke financiële, economische en/of organisatorische gevolgen hebben voor de onderneming, moet de ondernemer door middel van een adviesaanvraag advies inwinnen bij de OR. De ondernemer moet het advies serieus meewegen in de besluitvorming. Wijkt de ondernemer af van het advies, dan moet hij dit schriftelijk motiveren naar de OR. Wanneer de ondernemer een besluit neemt dat afwijkt van het advies van de OR, dan moet de ondernemer een maand wachten tot hij het besluit uit mag voeren.
Initiatiefrecht
De OR kan de ondernemer voorstellen doen over zaken die de onderneming betreffen.
Leden van een OR hebben tijdens en tot twee jaar na beëindiging van hun OR-lidmaatschap een zekere mate van ontslagbescherming. Gedurende het OR-lidmaatschap mag de werkgever de arbeidsovereenkomst met het OR-lid niet opzeggen, tenzij er sprake is van reorganisatie. Datzelfde geldt voor de ambtelijk secretaris van de OR (die niet zelf lid van de OR is). Wanneer een werkgever de arbeidsovereenkomst wil opzeggen met een werknemer die op de kandidatenlijst voor de OR staat, of met een werknemer die korter dan twee jaar geleden lid van de OR is geworden, heeft hij daarvoor toestemming van de kantonrechter nodig. De ontslagbescherming geldt niet bij ontslag tijdens proeftijd of wegens dringende reden.
De wet geeft een vaste verhouding tussen het aantal werknemers en de omvang van de ondernemingsraad (bijv. 5 leden bij 50 werknemers, 7 leden van 100 tot 200 werknemers). In het reglement kan hiervan worden afgeweken.
Medezeggenschap in kleine ondernemingen
De WOR gaat ook over medezeggenschap in kleinere ondernemingen (artikel 35b en verder). Over het algemeen hoeft daar geen OR te worden ingesteld. Voor ondernemingen waar in de regel tussen de 10 en 50 personen werken, kan de ondernemer een personeelsvertegenwoordiging (PVT) instellen. De ondernemer móet dit doen als de meerderheid van het personeel daar om vraagt. Ook in ondernemingen waar in de regel minder dan 10 personen werken, mag de ondernemer een PVT instellen. De WOR kent aan de PVT ook diverse rechten en faciliteiten toe, zoals het recht op informatie en het recht op instemming bij een werktijdregeling. De wettelijke rechten en faciliteiten van de PVT zijn over het algemeen minder (vergaand) dan die van de OR.
De WOR regelt voor ondernemingen waar in de regel tussen de 10 en 50 personen werken en waar geen OR of PVT is ingesteld, dat de ondernemer twee keer per jaar met het personeel bijeen moet komen in een personeelsvergadering. Daarin wordt de algemene gang van zaken van de onderneming besproken. Ook kunnen zaken besproken worden die de onderneming aangaan en waarover de ondernemer of werknemers overleg wensen.
Gevolgen van deze wet voor Zorgthuisnl leden
De WOR geldt ook voor zorginstellingen. Bij meer dan 50 medewerkers dient u een OR te installeren, de werkgever neemt hiervoor het initiatief. Heeft u minder werknemers, dan moet u in ieder geval twee keer per jaar een personeelsvergadering organiseren.
Op de site van de SER vindt u veel informatie onder meer over het instellen van een nieuwe OR, waaronder een voorbeeldreglement voor de OR, een leidraad PVT en een stappenplan en tijdschema. U dient als werkgever een voorlopig reglement op te stellen, totdat de OR zelf die bevoegdheid heeft. Op grond van artikel 48 van de WOR moeten de vakbonden worden gehoord over dit voorlopige reglement. De vakbonden moeten de gelegenheid krijgen hiervan kennis te nemen en hierover opmerkingen te maken. Daarnaast hebben zij vervolgens het recht om kandidaten voor de OR-verkiezingen voor te dragen. Zodra het reglement klaar is, kunt u de bonden inlichten over het voornemen een OR in te stellen en het voorlopige reglement voorleggen. Daarna stelt u het voorlopige reglement vast.
U dient eveneens de betrokken vakbonden te informeren zodra de verkiezingsdatum en het concept-tijdschema vaststaan. Een voorbeeld van een tijdschema is te vinden op pagina 29 van het SER-voorbeeldreglement. Het advies is om de vakbonden ook uiterlijk 13 weken voor de verkiezingsdatum formeel aan te schrijven. Daarmee krijgen zij voldoende gelegenheid om kandidaten te werven en voor te dragen.
Er bestaat geen algemene verplichting om alle vakbonden in Nederland te informeren. Een werkgever die een ondernemingsraad opricht moet de vakbonden betrekken die leden in de onderneming hebben. Omdat een werkgever in principe niet weet wie lid is een vakbond, is het verstandig om bij instelling van een OR de bij de Cao VVT betrokken bonden (FNV Zorg & Welzijn, CNV, NU’91 en FBZ) te informeren zodra het voorlopige reglement gereed is. De (mail)adressen zijn achter in de Cao VVT opgenomen.
Bij een conflict kan de SER-bedrijfscommissie ingeschakeld worden, door een verzoek om bemiddeling te doen (Bedrijfscommissie markt II).
De SER publiceert jaarlijks richtbedragen voor scholing van de OR; scholingsinstituten kunnen zich laten certificeren bij SCOOR. Meer over de scholing van de OR staat in art. 18 van de WOR. De kosten voor scholing van de OR komen ten laste komen van de werkgever. De door de SER gepubliceerde richtbedragen vermelden wij telkens in onze eindejaarsnieuwsbrief.
De Cao VVT kent aan de ondernemingsraad een aantal extra bevoegdheden toe; zie art. 8.5, 8.5.1 en art. 8.5.2 voor meer informatie hierover.